Het onafhankelijke ARPA presenteerde op 10 februari 2026 het adviesrapport Advies herijking arbeidsvoorwaarden politieke ambtsdragers (ook aangeduid als Een gewaardeerd ambt). Daarin pleit het college voor een “inhaalslag” in beloning en betere arbeidsvoorwaarden, zodat politieke functies op alle niveaus aantrekkelijk blijven voor geschikte kandidaten.

Advies: stapsgewijze salarisverhoging tot 18 procent

De kern van het advies is een fasegewijze verhoging over drie jaar, bovenop de gebruikelijke indexaties. ARPA stelt voor om de stijgingen per groep te differentiëren.

Volgens het samenvattend overzicht in het rapport gaat het om deze totale verhogingen over drie jaar:

  • Bewindspersonen: 15 procent (5 procent per jaar)
  • Leden Eerste Kamer en Tweede Kamer: 12 procent (4 procent per jaar)
  • Wethouders: 18 procent
  • Burgemeesters (behalve G4): 18 procent
  • Raadsleden in gemeenten met meer dan 24.000 inwoners: 18 procent
  • Raadsleden tot 24.000 inwoners: 10 procent
  • Gedeputeerden: 15 procent
  • Statenleden: 10 procent
  • Voorzitters en dagelijks bestuur waterschappen: 15 procent
  • Algemeen bestuur waterschappen: 10 procent

ARPA wijst er daarnaast op dat de beloningsverhoudingen tussen functies opnieuw “logisch” moeten worden gemaakt, met het ministersalaris als hoogste ankerpunt in het beloningsgebouw. Ook worden in het rapport verschillende verhoudingen ten opzichte van het ministersalaris voorgesteld, bijvoorbeeld voor wethouders en burgemeesters in diverse gemeenteklassen.

Waarom ARPA hogere beloning en betere voorwaarden nodig vindt

ARPA schetst dat het werk van bestuurders en volksvertegenwoordigers op vrijwel alle niveaus inhoudelijk complexer is geworden, dat de werklast toeneemt en dat de omstandigheden niet beter zijn geworden. Het college noemt ook druk door agressie en intimidatie als factor die het functioneren kan belemmeren of zelfs tot uitval kan leiden.

In het rapport staat samengevat dat beloningen van politieke ambtsdragers de afgelopen tien tot twintig jaar onvoldoende hebben meebewogen met structurele ontwikkelingen en taakverzwaringen. Bovendien zouden verbeteringen die werknemers via cao’s kregen (zoals extra keuzevrijheid in tijd en geld) maar beperkt zijn doorvertaald naar politieke ambtsdragers.

De voorzitter van het adviescollege, Alexander Rinnooy Kan, verwoordt de insteek in interviews in de lijn van: de democratie leunt op geschikte mensen die dit werk willen doen, en daar moeten arbeidsvoorwaarden bij passen die het gewicht van het ambt weerspiegelen.

Niet meteen voor zittende Kamer en kabinet

ARPA benadrukt expliciet dat ingangsdata zo gekozen moeten worden dat politici nooit over veranderingen kunnen besluiten waar zij zélf direct financieel beter van worden.

Voor ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal ligt dat ook wettelijk vast: structurele aanpassingen naar aanleiding van een ARPA-advies kunnen pas ingaan na nieuwe verkiezingen en na het aantreden van nieuwe bewindspersonen. Voor decentrale ambtsdragers kan invoering in theorie eerder, omdat zij niet zelf over hun arbeidsvoorwaarden besluiten, al wijst ARPA ook op het belang van samenhang tussen landelijke en lokale verhoudingen.

Meer dan salaris: indexatie, IKB, kinderopvang en rechtsbijstand

Het rapport blijft niet bij loon alleen. Zo adviseert ARPA om de indexatie van bezoldigingen en vergoedingen voor álle politieke ambtsdragers te koppelen aan het CBS-indexcijfer voor cao-lonen overheid inclusief bijzondere beloningen, zodat de ontwikkeling breder meebeweegt met de overheid als geheel.

Verder wil het college dat politieke ambtsdragers in beperkte vorm kunnen meedoen aan een Individueel Keuzebudget (IKB). Omdat zij geen verlofuren hebben, zou het vooral gaan om het benutten van brutobedragen voor fiscaal gunstige doelen, waar dat kan.

Ook kinderopvang wordt genoemd als drempel: ARPA stelt dat overheden kunnen helpen door opvang (desnoods ook ’s avonds) beter te organiseren of in te kopen, om politieke functies toegankelijker te maken voor bijvoorbeeld alleenstaande ouders en tweeverdieners.

Ten slotte adviseert ARPA een duidelijke regeling voor (rechts)bijstand bij integriteitsbeschuldigingen of vergelijkbare procedures. Het college vindt het “redelijk en wenselijk” dat politieke ambtsdragers in bepaalde situaties juridische hulp kunnen krijgen op kosten van het overheidsorgaan, met terugbetaling als later blijkt dat de ambtsdrager daadwerkelijk schuldig is aan het betreffende feit.